Tip van Alma Mathijsen
Rembrandt kan naast schilderen ook heel goed schelden
Het is een briljant idee: de figuren die afgebeeld zijn op De Nachtwacht te laten interviewen door Coen Verbraak. In vol ornaat, met pruiken en al, schuiven ze aan een simpele tafel met een karaf water en twee glazen tussen beide.

Het heden verbaast ze amper, na een paar minuten accepteer je dat als kijker ook helemaal. Zelfs Rembrandt (Ramsey Nasr) hebben ze zo gek gekregen om mee te doen, al lijkt hij amper zin te hebben om vragen te beantwoorden. Soms zo weinig dat ik me afvraag of hij er niet beter aan had gedaan om op te staan en weg te lopen. Bijvoorbeeld wanneer Verbraak hem vertelt wat er met zijn reusachtige doek is gebeurd toen het werd opgehangen in het Koninklijk Paleis Amsterdam. Om het te laten passen, werden de zijkanten eraf gesneden. Rembrandt barst los in een tirade:
‘Het zou me niks verbazen als dat Frans Banninck Cocq was. Lamlul.’
De toenmalige burgemeester van Amsterdam staat volledig afgebeeld op de voorgrond van het schilderij. Om op de Nachtwacht te mogen moest je een flink bedrag betalen, nog meer als je er helemaal op wilde, maar minder als het alleen om je kop ging. Rembrandt heeft hem de kleuren van de stad gegeven, rood, wit, zwart. Dit tegen het verzoek van Banninck Cocq in, die een blauwe sjerp wilde dragen. De verf daarvoor was duurder en daarvoor zou hij extra moeten betalen, volgens Rembrandt. Banninck Cocq vond dat dat inbegrepen was in de prijs, die al veel hoger lag dan wat de andere geportretteerden moesten betalen. Het is heerlijk om naar de meningsverschillen tussen de mannen te kijken. Rembrandt blijft tieren alsof het een antiautoritaire provo is.
Waar ze het bijna unaniem over eens zijn is dat De Nachtwacht een absurde titel is voor wat wordt afgebeeld. Zo zijn mensen het schilderij pas later gaan noemen. De film blijkt ook een heldere geschiedenisles, want ook dat wist ik nog niet. Het tafereel speelt zich overdag af, en de heren gaan niet op wacht. Uiteraard verkondigt Rembrandt dat zelf het stelligste. Alleen Jan Visscher Cornelissen (Minne Koole), de ongetrouwde vaandeldrager, lijkt wel iets te zien in de titel.
Het idee werkt, vooral omdat ze improviseren, de teksten zijn niet letterlijk uitgeschreven. De A4-tjes van Verbraak liggen onder zijn armen op tafel, net als bij een echt interview. Maar hij heeft ze amper nodig, de gesprekken vloeien, en zo komt de 17e eeuw knetterend mijn huis binnen.





