Tip van Rachel Pouwer
Dichter Maxime Garcia Diaz: “Het is alsof ik een gebouw heb gebouwd.”
Het is Poëzieweek en Maxime Garcia Diaz zit aan haar bureau tussen de verhuisdozen. We zijn in haar werkruimte, of zoals ze zichzelf meteen corrigeert: “Schrijvers noemen dat een werkplek. Maar ik deel deze ruimte met kunstenaars en zij noemen het een studio.” Ze glimlacht. “Het is de laatste week dat we hier zitten en het voelt nog industriëler dan het al voelde.” Op het bureau ligt haar tweede bundel Het netwerk moet gebouwd worden, evenals de Engelse versie The network must be built. Een boek dat fysiek nauwelijks te negeren is. “Hij werd door iemand kloek genoemd,” zegt ze. “Een mooie term voor een dikke poëziebundel.”
Een kloek boek
Die dikte van Het netwerk moet gebouwd worden (De Bezige Bij) is geen bijzaak. Maxime Garcia Diaz schrijft lange gedichten. “Dit is heel lang,” zegt ze terwijl ze door haar bundel bladert. “En dit is hetzelfde gedicht. Nog steeds.” Het boek telt 250 pagina’s. “Soms zijn ze proza en niet echt poëzie,” zegt ze. “En er staan ook plaatjes in.” Het boek groeide niet vanuit een vooraf bedacht plan, maar door voortbeweging. “Het werd gewoon steeds groter en groter."
Die groei voelt voor haar als construeren. Garcia Diaz spreekt over haar bundel alsof ze een architect is. “Het is alsof ik een gebouw heb gebouwd,” zegt ze. "Een structuur die ontstaat terwijl ik eraan werk. “Het was een ingewikkeld project met heel veel lijnen.” Die lijnen lopen door elkaar, kruisen, verdwijnen en komen weer terug. “En als iemand het begrijpt,” zegt ze, “dan komt het hele bouwwerk, de hele constellatie over.” Ze glimlacht. “Dat is echt geweldig.” Ze pauzeert. “Alsof je een soort gebouw hebt gebouwd.”

Taal als constructie
Waar haar eerste bundel speels meertalig was, koos ze nu voor een radicaal andere vorm. “Het is eigenlijk juist een eentalig project,” zegt ze. Er zijn twee versies van het boek. Eén in het Nederlands, één in het Engels. “Een soort tweeling.” Alles wat eerst gemengd was, werd uit elkaar getrokken. “Ik heb alles wat ik de ene versie in het Engels had geschreven of in de andere versie in het Nederlands, heen en weer vertaald.” Zelfs computertermen. “Ik heb zoveel mogelijk geprobeerd om Nederlandse woorden te vinden voor computertermen die je normaal in het Engels zou zeggen.”
Een vormexperiment. “Bij de eerste bundel was het een natuurlijke weergave van de werkelijkheid,” zegt ze. “Hoe we praten, hoe we nu het Engels en het Nederlands door elkaar gebruiken.” Dit boek ging over iets anders. “Dit ging meer om kunstmatigheid.” Om een regel van buitenaf. “Dat vond ik interessant.”
Maxime Garcia Diaz schrijft het liefst over één onderwerp. “Ik schrijf over het internet.” Maar dat internet is veranderd. “Op dit moment is het een nogal angstaanjagende plek. Ik maak mij zorgen over wat er aan de hand is in de techindustrie en de opmars van AI. De studenten die ik lesgeef kunnen nauwelijks een paragraaf schrijven zonder AI.” Tegelijk blijft de fascinatie. “Ook als ik vind dat we eigenlijk allemaal onze telefoons weg zouden moeten gooien, blijf ik het internet een interessante plek vinden.”

Bouwen, breken en blijven bewegen
Waar haar eerste bundel nog flirtte met het digitale, voelt deze bundel als een terugtrekkende beweging. “Het internet was leuker in haar beginjaren, in de jaren 2000,” zegt ze. “Toen het internet nog van tieners was. Of van nerds. Of van mensen in de marge. Nu is de lol er een beetje van af.” En juist daarom wordt autonomie belangrijk. “Bij jezelf blijven. Niet verslaafd zijn aan je telefoon.”
Die verschuiving zie je ook in haar manier van werken. Garcia Diaz heeft geen vaste routine. “Ik ben meer een schrijver die alles doet om niet te hoeven schrijven. Eerst ga ik bijvoorbeeld alle e-mails beantwoorden. Dan wil ik net beginnen met schrijven en komen er weer nieuwe e-mails binnen.” Ze schrijft vaak in haar telefoon. “In mijn Notes app. Heel millennial, gen Z.” Pas bij een deadline verandert dat. “Dan kon ik het wel. Omdat het heel doelgericht is.”
Poëzieweek
Maxime Garcia Diaz staat nuchter in de Poëzieweek. “Voor mij is het eigenlijk elke week Poëzieweek,” zegt ze. Dichten is geen seizoenswerk, maar een doorlopende staat. “Ik ben er de hele tijd mee bezig,” zegt ze, ook buiten lezingen en optredens om. De Poëzieweek voelt dan niet als een hoogtepunt, maar als een collectief moment waarop anderen even aansluiten bij iets wat voor haar altijd al aanstaat. “Het is gewoon fijn dat mensen dan denken: oh ja, poëzie bestaat ook nog. Poëzie is iets waar mensen altijd een beetje bang voor zijn,” zegt ze. Juist daarom ziet ze de Poëzieweek als een moment om die drempel te verlagen. “Het idee dat poëzie moeilijk is, dat zit heel diep. Maar het mag ook gewoon groot en rommelig zijn.” Haar dikke bundel voelt dan niet als overdaad, maar als uitnodiging. “Je hoeft het niet in één keer te snappen,” zegt ze. “Je mag er ook gewoon doorheen bewegen.”





