Tip van Naomi Ronner
De Meestergids: 5 huizen in het Openluchtmuseum
Geschiedenis gaat meestal over mensen die iets hebben veroverd, uitgevonden of geregeerd. In deze aflevering van De Meestergids (NTR) ga je naar het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Hier geen schilderijen van koningen te paard of staatsmannen in marmer, maar mensen die hun haring vingen op de Doggersbank, in een rookhuis woonden tussen de koeien of na een leven aan de andere kant van de wereld in een Brabantse barak terechtkwamen. Tussen de boerderijen, arbeiderswoningen en vissershuisjes ontdek je hoe gewone Nederlanders leefden, werkten aten en ruzieden. Het klinkt misschien minder spectaculair dan een veldslag, maar het vertelt minstens zoveel over Nederland!
1. Los huus (1773)
In deze achttiende-eeuwse boerderij uit de Achterhoek leefden mens en dier onder hetzelfde dak. Gezellig? Misschien. Fris was het waarschijnlijk niet: de boer en boerin in de bedstede, de varkens en koeien een paar meter verderop, en daartussen nog een handvol kinderen. Het Los Huus was niet bepaald ruim, maar er woonde soms wel een gezin van acht of negen personen. In 1924 werd de boerderij naar het Nederlands Openluchtmuseum verplaatst.
Bij boerderijen denk ik meestal aan witgekalkte muren of de donkergroene luiken van de geitenboerderij waar we vroeger op kinderfeestjes kwamen - er werd daar verstoppertje gespeeld tussen de hooibalen in de schuur. Maar wat opvalt aan dit huis is de fel-blauwgekalkte voorgevel.
Als je binnenloopt is dat NIET via de voordeur - die werd alleen gebruikt bij overlijden en huwelijken, want, duh - maar via de deeldeuren. Midden in het woongedeelte kom je bij een open vuurplaats. Die diende niet alleen als verwarming, maar ook voor de wieme: een houten rek waarop vlees werd gerookt en bewaard. Zo ambachtelijk wordt je Hema-hotdog helaas niet meer gemaakt.
Het dagelijkse leven van de bewoners was zwaar. De boerderij stond op arme grond en leverde weinig op. Boeren moesten daarom allerlei side hustles uitoefenen om rond te komen. De bewoner van deze boerderij had bijvoorbeeld ook een tweede carrière: klompenmaker. In de regio waren daarnaast weven, houtbewerking en andere ambachten belangrijke extra inkomstenbronnen.

2. Het Molukse Barak (1939-1940)
Een ‘woonoord’: zo werd de plek in Lage Mierde genoemd waar Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen terechtkwamen na de Indonesische onafhankelijkheid. Veel Molukkers hadden aan de zijde van Nederland gevochten en zagen hun positie op de Molukken daardoor onzeker worden. De Molukse Barak vertelt het verhaal van de ongeveer 12.900 Molukse militairen en hun gezinnen die in 1951 naar Nederland werden overgebracht.
Om dat verhaal te begrijpen, ga je in de barak verder terug in de tijd. Naar de VOC, toen Nederland gewelddadig controle greep over de lucratieve specerijenhandel op de Molukken. De eilanden kwamen toen onder Nederlands koloniaal bestuur te staan en werden onderdeel van Nederlands-Indië. Veel Molukkers werden vervolgens geworven voor het KNIL, het koloniale leger van Nederland. Die lange geschiedenis van verbondenheid krijgt in de barak een wrange wending. Veel Molukkers arriveerden in Nederland met het idee dat hun verblijf tijdelijk zou zijn en dat zij uiteindelijk zouden terugkeren naar hun thuisland. In plaats daarvan werden de KNIL-militairen direct ontslagen uit militaire dienst. Van de ene op de andere dag verloren velen hun inkomen, maatschappelijke positie en een belangrijk deel van hun identiteit. Het is een pijnlijke geschiedenis waar nog altijd niet gemakkelijk over wordt gesproken.
In de Molukse Barak in het Openluchtmuseum gebeurt dat gelukkig wel. Nazaten van voormalige bewoners vertellen persoonlijke verhalen, terwijl Molukse tradities, geloof en gemeenschapszin naar voren komen in films, foto's en objecten. De ruimte vol stapelbedden maakt voelbaar hoe het leven in het woonoord eruitzag. Er werd gekookt door een Nederlandse kok. Ik stel me voor hoe een fletse portie stamppot op een bord wordt gekwakt. Dat moet vreemd zijn geweest voor mensen die hun thuisland achter zich hadden gelaten. Want eten is binnen de Molukse cultuur veel meer dan een maaltijd. Het verbindt families, brengt mensen samen en houdt de herinnering aan thuis levend. Niet voor niets is ‘Heb je al gegeten?’ vaak de eerste vraag die wordt gesteld in het rumah tua - het ouderlijk huis.

3. Doorzonwoningen (1965 t/m 2025)
Een eindeloze rij identieke gevels, allemaal met een groot raam aan de voor- én achterkant, en een woonkamer waar iedere Nederlandse kringverjaardag ooit lijkt te hebben plaatsgevonden. De doorzonwoningen in het Nederlands Openluchtmuseum laten je de ontwikkeling van de Nederlandse rijtjeswoning zien van 1965 tot nu. Deze woning, een typisch product van de wederopbouwperiode, was een antwoord op de enorme woningnood na de Tweede Wereldoorlog. Tussen ongeveer 1955 en 1975 werden meer dan een miljoen van deze huizen gebouwd. Voor veel gezinnen betekende dit een grote stap vooruit: een eigen badkamer, centrale verwarming, meer ruimte en een tuin. De gereconstrueerde huizen laten zien hoe bewoners een standaardwoning in de loop der jaren aanpassen aan veranderende woonwensen. Van hun theepot en de sprei op het bed tot de salontafel en de televisie in de hoek.
Je wandelt zo van 1965 naar 1975. De huizen zijn volledig ingericht in de stijl van de jaren zestig en zeventig: een bescheiden voortuintje, zware eikenhouten meubels, kleurrijke gordijnen en muren bekleed met kurk of druk behang. Terwijl ik erdoorheen loop, moet ik denken aan het rijtjeshuis waar mijn vader opgroeide. Ik stel me voor hoe hij op zijn slaapkamer vliegtuigen zat te tekenen of voor het eerst naar een plaat van The Beatles luisterde. Hoe hij aanbelt bij het identieke huis van de buurman om geld te vragen voor een nieuwe broek, nadat de rottweiler van de buren er zijn tanden in had gezet.

4. Vissershuisje en Speepswerf De Hoop (1806)
In de late Middeleeuwen verdienden de meeste Markers hun brood nog met veeteelt, maar vanaf de zestiende eeuw nam de visserij het langzaam over. Op de Doggersbank werd onder meer haring gevangen, dezelfde vis die ruim een eeuw later nog altijd op mijn broodje belandt. Deze visserij bracht veel Markers weken achtereen de zee op. Thuis wachtten vrouw en kinderen in kleine huisjes zoals dit.
Van hun reizen naar Engeland, Schotland en Scandinavië brachten de vissers niet alleen vis mee terug, maar ook souvenirs en bijzondere voorwerpen. Die kregen een prominente plek in de pronkkamer van hun huis, een speciale kamer waar bezoekers konden zien hoe welvarend een familie was. Je ziet er porseleinen borden, keramiek en zelfs bruidsklompen, allemaal uitgestald als statussymbolen.
Het huisje is zwart, maar de Marker vrouwen liepen er kleurrijk bij. Onderdeel van hun kleding was het rijglijf, een soort korset waarvan de naam al niet comfortabel klinkt. Vroeger werd het verstevigd met walvisbalein. Op de rug zaten uitbundige bloemenmotieven, geborduurd in allerlei kleuren. Mooi waren ze zeker, maar de decoraties hadden ook een andere functie. Aan de kleding kon je namelijk aflezen of iemand in de rouw was, welk seizoen het was of dat er binnenkort een bruiloft gevierd zou worden.
Der wereld in Marken veranderde ingrijpend na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932. De visserij liep terug, de scheepswerf verloor haar functie en uiteindelijk verdween een manier van leven die eeuwenlang het eiland en dus de mensen had gevormd.

5. Tilburgse huisjes (1860)
Tegenwoordig staat er op het label van onze kleding meestal Made in Bangladesh, China of, als we geluk hebben, Portugal. Maar in de negentiende eeuw kwam textiel gewoon uit Tilburg. De Brabantse stad was een van de belangrijkste textielcentra van Nederland. Veel inwoners waren thuiswevers: ze maakten stoffen in hun eigen woning, werkten GESTOORD lange dagen (van twaalf tot veertien uur) en kregen daarbij hulp van de kleine werkertjes (lees: de kinderen).
De vier Tilburgse huisjes in het Openluchtmuseum laten je zien hoe deze arbeidersgezinnen leefden tussen 1870 en 1970. Het oudste huisje maakt meteen duidelijk hoe anders het dagelijks leven er toen uitzag. Er was geen stromend water, geen riolering en geen elektriciteit. De volgende keer dat je moppert over de smaak van het kraanwater of over het formaat van je keuken, bedenk dan dat een Tilburgs arbeidersgezin het moest doen met een waterput naast de mestvaalt. Dat zet dingen toch enigszins in perspectief. In de huisjes die volgen zie je hoe die omstandigheden stap voor stap verbeteren: een toilet (de “poepdoos”) verhuist van een hokje naast de schuur naar binnenshuis en tegen de jaren zeventig staan er bloemen op tafel en voelt het huis steeds meer als een plek om te leven in plaats van te overleven.

Benieuwd geworden? In De Meestergids, dit keer vanuit het Nederlands Openluchtmuseum, hoor je meer! Je ziet de aflevering vanavond om 20:25 uur op NPO 2 en gelijk daarna op NPO Start.





