Tip van Rachel Pouwer
Splinter Chabot: "Schrijven is obsessief, het wurgt je bijna.”
In de stijlkamer van het Grachtenmuseum kijkt Splinter Chabot bewonderend om zich heen. “Prachtige ruimte. Alsof ik een beetje in Rome ben.” Die stad stroomt door zijn nieuwe roman Twee Prinsen (uitgeverij Hollands Diep). Niet als decor, maar als motor van het verhaal. “Ik was er negen jaar geleden voor het eerst. En toen dacht ik meteen: deze stad wil ik een verhaal laten vertellen.” Rome als vrijplaats, als overdrijving, als podium voor alles wat groter mag. “Het is natuurlijk één groot decor. Het vraagt ook om grootse uithalen. Dus je kunt je als schrijver in Rome veel meer permitteren.”

Twee Prinsen
Onder de roman ligt een verhaal dat zich niet laat wegdenken. “De eerste belangrijke reden waarom ik dit wilde maken, is een brief die ik zes jaar geleden kreeg. Een brief over Richard, en Richard heeft echt bestaan.” Chabot vertelt hoe deze jongen opgroeit in een streng religieuze omgeving en als puber ontdekt dat hij op jongens valt. Wat volgt is geweld, afwijzing, en uiteindelijk een einde dat zich nauwelijks laat navertellen zonder dat de ruimte kantelt. “En die hardheid, die gruwelijkheid, die vreedheid eigenlijk, die liep mij niet los.”
In Twee Prinsen probeert hij daar iets tegenover te zetten. Geen ontkenning, maar een herschrijving. “Op een gegeven moment dacht ik: je wil Richard een langer, een mooier, een liefdevoller, een gelukkiger, een zonniger, een romantischer leven gunnen. En wat ik heb geprobeerd, is Richard als 25-jarige te portretteren. Dus hij komt als 25-jarige aan in Rome. Levend. Verliefd. Terwijl je in flashbacks de onvrijheid ziet.”
Die liefde is in het boek niet klein of voorzichtig, maar uitbundig en nadrukkelijk aanwezig. “Ik wilde die twee jongens, als ze in Rome waren, eigenlijk in de hemel plaatsen. De totale vrijheid. Dus ze rennen ook als ze verliefd zijn over de daken, ze komen op plekken waar ze genieten van de rijkdom en de kleurrijkheid van het leven.”
“De liefde moet je vieren, overal, altijd.”
Maar die lichtheid staat nooit los van de wereld daarbuiten. “Ik wilde vooral ook de liefde vieren, maar wel in de wetenschap dat er nog zo weinig plek voor is, door de opmerking, de handeling, de vuist soms.” Het maakt de intentie van het boek helder en urgent tegelijk. “Ik hoop dat elke lezer, of je nou hetero of queer bent, denkt: oh ja, dat is gewoon liefde. En de liefde moet je vieren, overal, altijd.
Naast die viering sluimert er iets anders door het verhaal heen. “Op papier hebben we het heel goed geregeld. Je mag houden van wie je wilt, je mag niet gediscrimineerd worden. Maar er zijn heel veel onzichtbare wetten die voorschrijven hoe te zijn, hoe je eruit moet zien, hoe je je moet gedragen. Hoe kan het dat er nog steeds zoveel onvrijheid is?” Die vraag mondt uit in iets wat verder gaat dan literatuur alleen. “Er zit in mij natuurlijk ook een woede, omdat ik zelf die onvrijheid ook meemaak, met opmerkingen of uitgescholden worden. En daar wilde ik iets tegen schrijven, iets tegenin brengen.” In het boek krijgt dat vorm in een fel, bijna pamfletachtig slotstuk. Niet als conclusie, maar als noodzakelijke uitbarsting.

Schrijven als overgave
Als het schrijven klaar is, begint voor Chabot een ander soort beweging. “De hoofdpersonen verlaten je hoofd en zitten in het boek gevangen, totdat de lezer ze bevrijdt.” Wat volgt zijn ontmoetingen die het verhaal opnieuw openbreken. “Dat je overal je lezers mag ontmoeten en hun verhalen hoort, dat vind ik waanzinnig. Dat mensen soms in tranen hun verhaal vertellen, of zeggen dat iemand die ze kenden hetzelfde heeft meegemaakt.” Daarin schuilt voor hem de waarde van het boek. “Dat je met elkaar misschien strijdt voor een millimeter meer vrijheid voor iedereen. Dat vind ik heel bijzonder. En ja, dat is een groot woord, maar dankbaarheid zit daar wel in.”
Splinters manier van werken heeft iets allesverslindends. Eerst verzamelen, dan verdwijnen. “Ik ga echt naar plekken toe om te voelen hoe iets is. Ik sta ’s nachts op een weiland om te zien hoe een akker eruitziet, of ik loop door mist om te voelen of het angstaanjagend is of juist mooi.” Pas daarna begint het schrijven zelf. “Dan doe ik de gordijnen dicht, doe ik kaarsen aan, zonder ik me af en ben ik onbereikbaar. En dan ga ik obsessief in het verhaal.” Wat er dan ontstaat, is intens en lichamelijk bijna. “Het verhaal wordt als een octopus die zich om je heen vouwt en je bijna wurgt. Je kunt niets anders meer, je moet schrijven.”
Benieuwd naar TweePrinsen?Splinter Chabot vertelt je meer in NPO Cultuur op donderdag 14 mei om 21:30 uur op NPO 2 Extra en vrijdag 15 mei om 10:40 uur op NPO 2 en NPO Start!




